Zij die ziften en kiezen
Aanbieders van schrijf- en communicatiecursussen
wekken graag de indruk dat ze als eersten de verademende directheid
van de spreektaal hebben ontdekt. Met iets meer kennis van onze
cultuurgeschiedenis zouden ze beter moeten weten.
Tegenwicht tegen de kunstmatig
beregelde standaardtaal leeft immers al sinds de romantiek, het
tijdperk waaruit de moderne kritische geest is ontsproten. In de
“Geschiedenis van de Nederlandse taal” van C.G.N. de Vooys staat
in dit verband een opmerkelijke passage:
Jacob Geel had door zijn voorbeeld bewezen dat het gebruik van gemeenzame taal en wendingen kon samengaan met pittige oorspronkelijkheid en kunstzinnigheid. Een anonieme bewonderaar schreef in 1838: ‘Professor Geel heeft de scheidsmuur tusschen de taal der Pen en de taal der Tong omvergeworpen! Nu is de weg gebaand, om op een vrije, losse, natuurlijke wijze, onze gedachten, in het Hollandsch, op papier te brengen.
Dat
was dus in de tijd dat de schrijftaal zich nog maar net tot
standaardtaal had ontwikkeld. Vroeg negentiende-eeuwse teksten staan
vol genitiefvormen en typische schrijftaalwoorden zoals toen niemand
in de gewone omgangstaal gebruikte. Met noemde dat wel met trots
'gebeeldhouwd Nederlands'. Anders dan nu genoot de schrijftaal groot
aanzien. Ze was de historisch genormeerde en dus de 'beschaafde'
taal; de volkstaal diende in haar veredeld te worden.
Tegen die
status kwamen niet alleen filologen als Jacob Geel in opstand. De
grootste vernieuwers waren de literatoren zelf. Zo schrijft Multatuli
in een van zijn Ideën:
Een individu leert veelal zyn taal van 'n schoolmeester, dat jammer genoeg is. Maar schoolmeesters moeten de taal niet maken. Zyzelf behoren die te leren van 't Volk dat die taal spreekt en schryft.
En weer moeten die schoolmeesters niet alles goedvinden wat dat volk schryft en spreekt. Zy moeten ziften en kiezen, dat is: ze moeten geen schoolmeesters zyn.
Niet alles goed vinden wat het volk spreekt en schrijft? Dat zul je een taalwetenschapper van vandaag niet met zoveel nadruk horen zeggen. Door de status van de spreektaal als 'enige echte, ongekunstelde, levende taal' maken thans zelfs de haar inherente slordigheden deel uit van de taalevolutie. Het einde van de standaardtaal is ook al aangekondigd...
Toch is er minstens één argument dat voor de schrijftaal en de handhaving van haar normen pleit: de helder geschreven formulering in het belang van de lezer. En vanuit diens oogpunt wellicht ook: het leedvermaak bij de vele hilarische ontsporingen van al te nonchalante pogingen daartoe. Zoals van de journalist die kopte:
Minimaal een kwart van alle bestuurders bij het Rijk moet binnen vier jaar vrouw zijn.
Of van de redacteur die vaststelde dat de sprekers op de meeste congressen saai en lang zijn.
Of deze uit het programmablad van een cultureel centrum:
Tijdens de integrale uitvoering op het concert beluistert u Ravels meesterwerk opnieuw, met compleet andere oren!
Het “schrijf zoals je spreekt” mag dan een voor de hand liggende aanbeveling aan cursisten nieuwsbriefschrijven zijn, het opent vele valkuilen voor al te onbekommerde schrijvers zoals op de laatste pagina van elk nummer van het tijdschrift 'Onze Taal' te lezen valt.
De als pragmaticus bekend staande filosoof Richard Rorty schreef:
Dingen, aldus Kant, bezitten waarde, maar personen bezitten waardigheid. Teksten zijn voor deze gelegenheid personen. Wie ze alleen maar gebruikt - ze louter gebruikt als middelen en niet ook als doelen op zichzelf – handelt immoreel.
Taal is niet alleen maar instrument. Wie tegen haar regels in iets beweert en dat jammer vindt voor die regels, vertoont onaangepast gedrag. Om de waardigheid van je taal te respecteren, hoef je geen taalpurist en zelfs geen taalkenner te zijn, wel iemand die nadenkt voor hij iets opschrijft.
Taalwetenschappers weigeren criteria voor goed taalgebruik te definiëren en dat is hun goed recht. Want...ook taalwetenschappers moeten de taal niet maken.
Wie dan wel? Zij die ziften en kiezen. Wie anders?