Sterk en zwak


Goed is:

    Ze hebben ons altijd al om onze rijkdom benijd.

'Benijden' is een zwak werkwoord, dus :

(fout) Ik beneed hem om zijn talenkennis.
(goed) Ik benijdde...

Een sterk werkwoord verandert, zoals u weet, in de verleden tijd van stamklinker en heeft een voltooid deelwoorden op -en.

    lijden - leed - geleden

Heel vroeger waren er alleen 'sterk'  vervoegde werkwoorden. De zwakke vervoeging heeft de sterke vaak geheel of gedeeltelijk verdrongen. De meest voorkomende werkwoorden hielden stand (vandaar die merkwaardige benaming 'sterk'). Bij enkele werkwoorden bestaan twee vormen naast elkaar:

    bakken - bakte - gebakken
    spugen - spuugde (spoog) - gespuugd
    waaien - waaide (woei) - gewaaid

Oude sterke vervoegingen komt men nog hier en daar tegen, vooral in dialecten:

    dorst, dierf voor durfde
    loeg (lachte)
    hiet (heette).

Soms is er betekenisverschil tussen de sterke en de zwakke vervoeging van hetzelfde werkwoord:

    Hij placht elke zondag naar de kerk te gaan (= was gewoon).
    Hij pleegde dus zeker geen moord.

copyright Renia Taal & Tekst | archief 2004 - 2007