Clichés
In de sociale omgang, in taalgebruik, in denken en handelen: niemand ontkomt aan het cliché. En die vaststelling is op zich weer een cliché!
In de dagelijkse communicatie vervult het cliché een onmiskenbare sociale functie. Want zo onvermijdelijk als de gemiddelde conversatie op de over en weer uitgewisselde dooddoeners drijft, zo zeker zal, als de pijnlijke stilte uiteindelijk toch valt, iemand uit het gezelschap de opmerking maken:
- Er gaat een
dominee voorbij (oorspronkelijk: pas op je woorden)
- Het is hier goed
haver zaaien (namelijk: bij windstilte)
Al tolereren we het cliché in zulke situaties, appreciëren doen we het allerminst. De meeste van de door Ine van Eyk verzamelde Dooddoeners en stoplappen getuigen, zoals ze in haar voorwoord schrijft “van een benepen, angstige en betweterige kijk op het leven”.
Je verbaast je nergens meer over
Je weet maar nooit
Zolang we maar gezond blijven
Zo kan ik het ook
Met het bon mot uit de tijd dat de kunst van het converseren nog in aanzien stond, hebben dit soort platituden niets gemeen. Ze zijn niet grappig en niet scherpzinnig. Hun enige nut is geen standpunt of overtuiging uit te spreken. We worden dan ook niet geacht erop te reageren.
Het gebruik van afgesleten beeldspraak is bij uitstek de vorm waarin het cliché zich in de schrijftaal voordoet. De beslissing die kwaad bloed zet, de mening die aan het papier wordt toevertrouwd, het jaarverslag dat voor u ligt, het bedrijf in lastige papieren, de tijdbom onder de onderhandelingen, verwijten die naar het hoofd geslingerd worden, de coach die de kopjes niet wil zien hangen – al die talloze malen herhaalde stijlfiguren dienen alleen de gemakzucht van degene die ze opschrijft. Als lezer ben je ze beu, maar je leeft geen dag zonder ze tegen te komen.
In literaire teksten gaat de schrijver op verschillende manieren om met het cliché. Hij kan het opzettelijk gebruiken om een triviaal beeld van de werkelijkheid op te roepen:
- Hij nam een trek
aan zijn sigaret en keek hoe de rook omhoogkringelde...(Brouwers)
Of met wat taalacrobatiek afgezaagde beeldspraak een schijn van originaliteit geven:
- Er was iets
kousenvoetigs aan de ochtend, iets rozenvingerigs aan de dageraad...
(Noordervliet)
Of het cliché omarmen en er humoristisch mee spelen:
- Mijn mond bleef
aan de grond genageld staan. (Reve)
In zijn boek “De tirannie van het cliché” noemt socioloog Zijderveld het meest opmerkelijke van clichés “hun vermogen om reflecties te passeren”. Daarbij wordt de betekenis van een uitspraak ondergeschikt aan haar functie. Immers, om de betekenis van een uitspraak af te wegen, moeten we die eerst relativeren.
- Clichés
nu zijn in staat om deze relativering te vermijden, als het ware te
omzeilen. Door clichés domweg te herhalen worden geest en
gemoed als vanzelf in een bepaalde richting geduwd... Dit effect
wordt nog versterkt door het feit dat clichés bijna even
aanstekelijk zijn als lachen. Juist omdat in beide gevallen de
reflectie wordt uitgeschakeld, worden lachen en clichés
gemakkelijk nagedaan, geïmiteerd.
Zo roept de ene dooddoener de andere op. Een goed voorbeeld daarvan is het cliché 'kort door de bocht', dat tegenwoordig te pas en te onpas gebruikt wordt om conclusies in twijfel te trekken. Mits met voldoende verontwaardiging in een debat gelanceerd, kan het zelfs een goed onderbouwde redenering onderuit halen.
Er is één plaats waar we als lezer aan het cliché kunnen ontkomen, namelijk in de dichtkunst. Alleen de dichter kan geen beroep doen op het cliché. Schrijvend over de lente zal beeldsspraak als de tere twijgen, de waterige zon of het aarzelend groen zelfs niet in zijn hoofd opkomen. Hij is immers pas dichter als hij het anders zegt:
Vandaag heb ik mijn hoofd verhuurd
aan de Lente en ik heb nog geen spijt!